TAALBELEID OP SCHOOL
I. Kijk op taal: visie
Over de relatie tussen taalvaardigheid en schoolsucces wordt beweerd dat kinderen vaardig moeten zijn om op school adequaat te functioneren. Gezien de belangrijke rol die taalvaardigheid speelt, spreekt het vanzelf dat het ontwikkelen van de nodige taalvaardigheden een centrale plaats in het onderwijs innemen. Om dit te realiseren wil onze school in eerste instantie te weten komen hoe het taalvaardigheidsniveau van de leerlingen zich verhoudt ten opzichte van de eisen die het onderwijs stelt.
Een voor de hand liggende manier is het toetsen van de leerlingen. Belangrijk hierbij is vooral dat de toetsen die gebruikt worden, geschikt zijn om de taalvaardigheid te meten. Wat de school moet weten om te bepalen of leerlingen aan de taalvaardigheidseisen voldoen, is niet of zij voldoende woordjes of grammaticale regels kennen, maar of zij inderdaad in staat zijn om in taal te denken en te handelen.
Het spreekt vanzelf dat de actie, ter stimulering van taalvaardigheid, het meeste effect biedt als daarmee wordt gestart bij de aanvang van de derde kleuterklas. Hierdoor is de kans groter dat de leerlingen in de loop van het eerste leerjaar het vereiste taalvaardigheidsniveau bereiken. Specifieke taalvaardigheidstoetsen worden aldus ingeschakeld.
II. Kenmerken van taalvaardigheidsondersteunend onderwijs.
In klassen met zwak scorende leerlingen op taalgebied worden meer inspanningen geleverd en moet men de kinderen met rijke taalleersituaties confronteren. De taken moeten de kinderen aanspreken, ze moeten motiverend zijn om de opdracht tot een goed einde te brengen. Kinderen moeten geconfronteerd worden met taken die op talig vlak eigenlijk te moeilijk zijn.
Wanneer de leerkracht zijn taalgebruik gaat aanpassen aan het zwakke niveau van de leerling ( minder en makkelijkere taal gebruiken ), dan krijgt de zwakke leerling eigenlijk minder kansen. Zwakke kinderen hebben juist nood aan meer uitdagingen. De confrontatie met de moeilijkheden is juist een essentiële voorwaarde om tot leren te komen.
De leerkrachten luisteren naar kinderen, vangen de signalen op die over de activiteit worden uitgezonden, begrijpen en reageren op deze signalen zonder de leerling met de oplossing te overdonderen. De leerlingen moeten zelf de weg naar de oplossing zoeken. Er moet zo onopvallend voor gezorgd worden dat de dirigerende leerling niet ontspoort. De interactie bij taalzwakke kinderen wordt zo ver mogelijk uitgebouwd. Hierbij is het zeer belangrijk te weten dat als men taalzwakke kinderen met taalvaardigere kinderen samen brengt en aan een activiteit laat werken. ( = coöperatief leren genoemd ) de vaardigheid zienderogen verhoogt
Taalvaardige leerlingen kunnen hulp bieden aan taalzwakkere leerlingen en daarom is het eerder een voordeel om heterogene ( = gemengde groepen ) groepen te maken. De invoering van coöperatief leren is dus een bijzonder efficiënt middel om op gebied van taalvaardigheid de leerlingen positief te stimuleren en hierdoor vooruitgang te boeken.
III. Middelen om de taal en de taalvaardigheid te bepalen, te stimuleren en de leerwinst te vergroten:
Observeren van peuters, kleuters via observatielijst, turfsysteem
- Tal en talk toets uitvoeren ( = toets die de beginsituatie onderzoekt, einde K3 en begin L1)
- Methodegebonden taaltoetsen hanteren ( Veilig leren lezen ( L1 ) , Kameleon ( L2 tot L6 )
- Elektronisch rapport ( Klaswijzer ) gebruiken met leerlingvolgsysteem over de schooljaren heen.
- Leerlingvolgsysteem voor ordenen, taalvaardigheid ( K ), spelling en technisch lezen (L )
- Bepalen van de leesniveaus ( AVI ) en verdelen in leesniveaugroepen
- Prioritaire taalvaardigheidsdoelen ( uit het leerplan ) voorop stellen
- Didactische werkvormen uitbreiden en optimaliseren
- hoekenwerk
- contractwerk
- zelfstandig werk
- projectwerk
- coöperatief leren
- rollenspel
- spreekbeurten
- onderwijsleergesprekken
- klassegesprek – praatrondes
- groepswerk
- niveaugroepen ( vooral wiskunde en taal )
- Individuele handelingsplannen opmaken
- Gedifferentieerd werken binnen de klas (leefgroep)
- Samenwerken met externen
IV. Nascholingsbeleid
Taal speelt een heel grote rol. Aan het verwerven van taal werken de kinderen een hele dag. Het komt er dus op neer dat taal niet alleen in de les Nederlands centraal staat maar dat we voor ieder vak met taal bezig zijn. Omdat wij taal zo belangrijk vinden, was één van onze nascholingsprojecten "Taal de hele dag!"
V. Frans op school
Vanaf de 3de kleuterklas is er reeds Frans op school
Taalinitiatie start best bij jonge kinderen. Het is echter niet de bedoeling een heuse leerlijn te volgen. Ieder schoolteam kiest zelf in welke groepen en voor welke kinderen het deze activiteiten uitwerkt. De methode Pistache houdt rekening met dit uitgangspunt.

Wat is nu de bedoeling van deze initiatie Frans?
We willen jonge kinderen op een prettige manier vertrouwd maken met de Franse taal.
Wanneer we het zouden vergelijken met zwemmen dan zou het niet gaan om de zwemles of het leren zwemmen maar om de watergewenning. Het is belangrijk dat jonge kinderen hun eerste contacten met het Frans in een ongedwongen sfeer als leuk en uitnodigend ervaren. Daarom werd er gekozen voor activiteiten en materialen die daarvoor geschikt zijn. We denken dan vooral aan muzische activiteiten zoals vertellen en zingen, spelletjes op de CD-rom of doe-activiteiten.
Hoe doen we dat nu?
Pistache werkt met acht thema's uit de leefwereld van de kinderen. Vertrekkend vanuit een startverhaal, verkennen de kinderen deze "histoires" in muzische activiteiten en op de computer. Doorheen deze verhalen zitten verschillende woordenschatclusters verweven en worden ze ook herhaald.
Enkele thema's: A l'école, Mon anniversaire, Zoë est malade, Zoë dort chez Ada, Un jour à la ferme, Un petit frère, A la piscine, Je pars en vacances
Er zijn meerdere koffers zodat Pistache kan doorlopen tot en met het 4de leerjaar. Pistache sluit dan perfect aan op de methode van het 5de & 6de leerjaar "Bonjour les enfants!"
